Transitievergoeding

Iedere werknemer die door toedoen van zijn werkgever een einde ziet komen aan zijn arbeidsovereenkomst, als die arbeidsovereenkomst tenminste 24 maanden heeft geduurd, heeft voortaan recht op een ontslagvergoeding (een enkele uitzondering daargelaten). Die ontslagvergoeding heet “transitievergoeding”. Datzelfde recht op vergoeding -vermeerderd met een vergoeding naar billijkheid-ontstaat voor een werknemer die is geconfronteerd met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en die om die reden de arbeidsovereenkomst niet langer heeft voortgezet. Alleen de werknemer die zelf ernstig verwijtbaar bezig is geweest heeft geen recht op een transitievergoeding.

Grofweg kan gesteld worden dat die vergoeding zich beperkt tot circa 1/3 van de oude vergoeding terwijl er ook een plafond aan is verbonden: maximaal € 75.000 bruto of als het jaarsalaris op een hoger niveau ligt, vormt dat jaarsalaris het plafond.

De opbouw is als volgt: voor elke periode van zes maanden dienstverband wordt een transitievergoedingsrecht opgebouwd van 1/6 maandsalaris. Vanaf het 10e jaar van het dienstverband wordt voor elk blok van 6 maanden ¼ maandsalaris opgebouwd. Daarnaast geldt nog een overgangsregeling voor oudere werknemers die – als ze niet bij een kleine werkgever werkzaam zijn – de opbouw van het vergoedingsrecht iets meer versneld zien.

De wetgever heeft de regelgeving rond de transitievergoeding nog wat verder verfijnd in enkele detailbepalingen. Zo geldt dat de dienstjaren van voor 1 juli 2015 in beginsel meetellen, maar niet in alle gevallen wanneer het een kleine werkgever betreft.