De eerste klap is een daalder waard! Kessels blogt:

315008640_78ffe5ebf3_z

foto: J-spaans (www.flickr.com)

Na een staandevoets ontslag is het winnen van de procedure bij de kantonrechter belangrijker dan ooit, met name voor de werkgever. Reden: in hoger beroep moet het gerechtshof “de vernietiging van een staandevoets ontslag door de kantonrechter” in stand laten en mag het hof -indien zij ervaart dat het gegeven ontslag wel geldig is- de arbeidsovereenkomst eerst beëindigen tegen een datum die gelegen is na de datum waarop het Hof haar beslissing neemt met als gevolg dat de werkgever verplicht is om het loon tenminste door te betalen totdat het hof een uitspraak heeft gedaan.
Heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag geldig is dan kan het Hof in hoger beroep de werkgever bevelen om de arbeidsovereenkomst tegen een door het Hof te bepalen datum te herstellen dan wel om de arbeidsovereenkomst niet te herstellen maar in de plaats daarvan een billijke vergoeding toekennen aan de werknemer. De verwachting ligt voor dat de gerechtshoven veelal voor het laatste zullen kiezen.


A. Hoe het was onder het oude ontslagrecht: in een situatie dat de werkgever vond dat zijn werknemer zich schuldig had gemaakt aan een dringende reden (bijv. diefstal) kon hij overgaan tot het geven van een staandevoets ontslag.
In reactie daarop kon de werknemer middels het versturen van een aangetekende brief de vernietigbaarheid van het ontslag inroepen om reden dat hij vond dat aan het ontslag een dringende reden ontbrak.
De kantonrechter bepaalde vervolgens of er wel of niet sprake was van een dringende reden. Indien de rechter een dringende reden aanwezig bevond dan was het ontslag rechtsgeldig gegeven, zo niet dan had de werknemer met succes het ontslag vernietigd.

In dat laatste geval bleef de arbeidsovereenkomst doorlopen en had de werknemer met terugwerkende kracht aanspraak op loondoorbetaling. In het eerste geval (wel een dringende reden) gold dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag was geëindigd en op grond waarvan de werkgever vanaf de datum waarop het ontslag was gegeven geen loonverplichting meer had jegens de werknemer. Eventueel betaald loon dat betrekking had op de periode gelegen na het ontslag had de werknemer dan terug te betalen.

Degene die door de kantonrechter in het ongelijk werd gesteld, ging vervolgens vaak in hoger beroep bij het gerechtshof. Het Hof kon dan de uitspraak van de kantonrechter in stand laten (dan veranderde er verder niets) of die uitspraak vernietigen en tot een tegengesteld oordeel komen. Dat kon betekenen (a) dat het Hof alsnog oordeelde dat het ontslag terecht was gegeven en op grond waarvan de loonbetalingsplicht alsnog eindigde op de dag dat het ontslag was gegeven (b) dan wel dat het Hof oordeelde dat het ontslag door de werknemer terecht was vernietigd en ten gevolge waarvan de werknemer toch nog met terugwerkende kracht zijn aanspraak op loondoorbetaling had behouden vanaf de datum van het (vernietigde) ontslag.

Een antwoord op de vraag of het ontslag nu wel of niet rechtsgeldig was gegeven kon dan ook door de rechtsgang in hoger beroep (en eventueel cassatie bij de Hoge Raad), de nodige jaren in beslag nemen. In de praktijk werd er om die reden door de werkgever in een dergelijke situatie bij de kantonrechter zo snel mogelijk een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend waarbij hij de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden voor het geval de arbeidsovereenkomst toch niet door het staandevoets ontslag was geëindigd. Door dat te doen, kon de werkgever de periode waarover hij mogelijk na het gegeven ontslag nog loon moest doorbetalen sterk indammen. Een voorwaardelijke ontbinding door de kantonrechter (en tegen welke ontbinding geen beroep mogelijk was) was een must indien er ook maar een spoortje onzekerheid bestond of het ontslag op staande voet stand zou houden. Immers met die voorwaardelijke ontbinding werd het loondoorbetalingsrisico ingeperkt tot de periode gelegen tussen de datum waarop het staandevoets ontslag was gegeven en de datum waartegen de kantonrechter (voorwaardelijk) had ontbonden. Indien dan jaren later vastgesteld werd dat het staandevoets ontslag niet rechtsgeldig was, dan kon de werknemer toch maar aanspraak maken op het loon gelegen tussen de ontslagdatum en de ontbindingsdatum.

B. Hoe het is onder het nieuwe ontslagrecht:

De kantonrechter kan nog steeds beslissen of de arbeidsovereenkomst terecht of onterecht werd beëindigd door de werkgever. De kantonrechter kan de vernietiging uitspreken van het ontslag of hij kan het ontslag in stand laten. In het eerste geval moet de werkgever alsnog het loon doorbetalen totdat er wel een rechtsgeldig einde komt aan het dienstverband en in het tweede geval eindigt de loondoorbetalingsplicht van de werkgever op de datum waarop het ontslag werd gegeven: tot zover is er in materieel opzicht niets nieuws onder de zon.

Nieuw: hoger beroep mogelijk tegen (voorwaardelijke) ontbindingsbeschikking
De werkgever op zijn beurt kan -zoals door de meeste kantonrechters wordt aangenomen- nog steeds een voorwaardelijk ontbindingsverzoek indienen. Bedacht moet echter worden dat onder het nieuwe ontslagrecht tegen elke beslissing van de kantonrechter hoger beroep openstaat bij het gerechtshof, dus ook tegen ontbindingsbeschikkingen. Dat betekent dat ontbindingsbeschikkingen van de kantonrechter niet langer de absolute zekerheid opleveren dat er ook daadwerkelijk een definitief einde is gekomen aan de arbeidsrelatie met de betrokken werknemer.

Nieuw: in hoger beroep is het Hof met betrekking tot staandevoets ontslagen onderworpen aan beperkingen met betrekking tot haar beslissingsbevoegdheden
Het meest significante verschil ten opzichte van het oude ontslagrecht is echter ergens anders in gelegen, te weten dat het gerechtshof in hoger beroep de beslissing van de kantonrechter (waarbij deze het ontslag op staande voet vernietigde en waardoor de arbeidsovereenkomst is blijven doorlopen), onder het nieuwe recht niet kan vernietigen. Dat betekent dat het Hof dus heeft te respecteren dat de arbeidsovereenkomst na het staandevoets ontslag is blijven doorlopen, ook al vindt het gerechtshof dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag heeft vernietigd. Daarbij komt als klap op de vuurpijl dat het aan het Hof op zichzelf wel is toegestaan om de arbeidsovereenkomst in die situatie te beëindigen doch enkel tegen een in de toekomst gelegen datum, gerekend vanaf de datum waarop het gerechtshof haar beschikking neemt.

Als de kantonrechter het door de werkgever gegeven ontslag op staande voet heeft vernietigd kan het Hof die arbeidsovereenkomst dus niet met terugwerkende kracht wegtoveren door te oordelen dat het gegeven ontslag op staande voet wel rechtsgeldig was gegeven.

In deze situatie heeft de nieuwe wetgeving dus veel op zijn kop gezet. Onder het oude recht had dan te gelden dat op basis van de uitspraak van het Hof er alsnog een einde was gekomen aan het dienstverband op de datum waarop de werkgever het ontslag had gegeven. Onder het nieuwe ontslagrecht kan het gerechtshof de arbeidsovereenkomst in beginsel niet eerder beëindigen dan de datum waartegen hij zijn beschikking geeft.

In deze situatie is een eerder door de kantonrechter uitgesproken voorwaardelijke ontbinding zinvol
Indien de kantonrechter het ontslag heeft vernietigd (zoals in dit voorbeeld aan de orde is) eindigt het dienstverband alsnog indien de kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek de ontbinding heeft uitgesproken. Indien de ontbinding gekoppeld is aan de voorwaarde dat in rechte komt vast te staan dat het ontslag terecht is gegeven, dan eindigt de arbeidsovereenkomst door die ontbinding indien in hoger beroep wordt geoordeeld dat dat aan die voorwaarde is voldaan. Bijzonder is dan dat de werkgever wel de vergoeding verschuldigd is zoals deze door de kantonrechter aan de werknemer is toegekend bij de voorwaardelijke ontbinding. Dit valt enkel te voorkomen doordat de werkgever ook hoger beroep instelt tegen de toekenning van de transitievergoeding (maar vooral niet tegen de ontbinding zelf). In ieder geval heeft de door de kantonrechter uitgesproken voorwaardelijke ontbinding in deze situatie zijn vruchten afgeworpen doordat er een eerdere beëindiging is gerealiseerd dan waartoe het gerechtshof in beginsel had kunnen beslissen.

De omgedraaide situatie: kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven; het hof oordeelt dat het ontslag onterecht is gegeven
In de omgedraaide situatie (de kantonrechter oordeelt een dringende reden aanwezig en laat om die reden het staandevoets ontslag in stand zodat het gegeven ontslag ook het einde van het dienstverband heeft bewerkstelligd waarna het hof oordeelt in hoger beroep dat er geen dringende reden aanwezig is en dat de kantonrechter derhalve ten onrechte de arbeidsovereenkomst op grond van het ontslag als beëindigd heeft geoordeeld), kan het hof niet alsnog oordelen dat het ontslag nietig is en op die grond vaststellen dat de arbeidsovereenkomst nooit is geëindigd. Anders gezegd: nadat de kantonrechter heeft geoordeeld dat er een einde is gekomen aan het dienstverband door het ontslag dan kan het hof in hoger beroep die beslissing formeel niet terugdraaien. Wel kan het hof de werkgever veroordelen (in de vorm van een bevel) om de arbeidsovereenkomst te herstellen tegen een datum die het hof zelf mag invullen. Dat kan dus zijn vanaf de datum waarop het ontslag werd gegeven maar ook vanaf een latere datum.

Ontbinding in deze situatie nutteloos
Een eventuele voorwaardelijke ontbinding heeft in die situatie geen enkel nut gehad voor de werkgever. De kantonrechter had het ontslag immers in stand gelaten waardoor het dienstverband al was geëindigd voordat de ontbinding werd uitgesproken. Het bevel van het hof gericht aan de werkgever om de arbeidsovereenkomst tegen een bepaalde datum te herstellen, leidt niet tot het opnieuw in het leven roepen van dezelfde arbeidsovereenkomst doch van een nieuwe arbeidsovereenkomst zodat de ontbindingsbeschikking niet betrekkelijk is tot deze nieuwe arbeidsovereenkomst. Wel zal waarschijnlijk geoordeeld worden dat aan de voorwaarde waaronder de ontbinding is uitgesproken, is voldaan (namelijk dat er geen dringende reden aan het ontslag ten grondslag ligt) zodat indien de kantonrechter aan die ontbinding een vergoeding heeft verbonden, de werkgever naast het bevolen herstel van het dienstverband ook nog die vergoeding moet voldoen aan de werknemer. Daarbij is van belang dat de Hoge Raad in het verleden al eens heeft geoordeeld dat indien tegen de ontbindingsbeschikking geen beroep wordt ingesteld, de daarbij toegekende vergoeding verschuldigd blijft, ook bestond de arbeidsovereenkomst niet meer op het moment waarop de beschikking werd afgegeven.

Een billijke vergoeding in plaats van herstel
In de praktijk lijkt de hier aangesneden problematiek van het bevolen herstel van het dienstverband door het gerechtshof niet zo’n vaart te lopen doordat het gerechtshof in een situatie dat de kantonrechter het ontslag in stand heeft gelaten, niet snel tot een herstel bevel zal overgaan. De verwachting is dat de gerechtshoven in een dergelijke situatie eerder zullen kiezen voor het alternatief dat hen ten dienste staat: het toekennen van een billijke vergoeding aan de werknemer en waarbij voor wat betreft de hoogte van die vergoeding rekening kan worden gehouden met het feit dat de vergoeding zoals vastgesteld in de ontbindingsbeschikking ook voldaan moet worden door de werkgever.

Het oordeel van de kantonrechter is voor een groot deel bepalend voor de rechtspositie van partijen
Dit alles betekent dat met de invoering van het nieuwe ontslagrecht de positie van de betrokken partijen in een situatie van een staandevoets gegeven ontslag, in hoge mate wordt bepaald door het oordeel van de kantonrechter. Indien de kantonrechter het ontslag heeft vernietigd waardoor de arbeidsovereenkomst is blijven doorlopen dan kan het hof –indien zij meent dat het ontslag wel steunt op een dringende reden- de arbeidsovereenkomst niet met terugwerkende kracht beëindigen en loopt de arbeidsovereenkomst tenminste door tot aan de datum waartegen eerder door de kantonrechter voorwaardelijk werd ontbonden. In de omgekeerde situatie kan het gerechtshof in hoger beroep ingrijpen indien zij ervaart dat de arbeidsovereenkomst door het staandevoets ontslag ten onrechte werd beëindigd (doordat de kantonrechter het ontslag ten onrechte in stand heeft gelaten). Het hof kan dan de werkgever bevelen de arbeidsovereenkomst te herstellen tegen een door het hof te bepalen datum doch de verwachting is dat het Hof daar niet snel toe over zal gaan (en in de plaats daarvan een billijke vergoeding toekent).

Uit het voorgaande vloeit voort dat het oordeel van de kantonrechter ten opzichte van het oude recht belangrijker is geworden
Met een en ander mag het duidelijk zijn dat de beperkingen die aan de gerechtshoven zijn opgelegd veroorzaken dat de beslissing van de kantonrechter belangrijker is geworden:

  1. onder het oude recht vernietigde het hof het vonnis van de kantonrechter indien zij het niet eens was met zijn oordeel. Dat betekende dat een in stand gelaten staandevoets ontslag alsnog met terugwerkende kracht werd vernietigd en waardoor de werknemer met terugwerkende kracht in dienst bleef van zijn werkgever. Onder het nieuwe ontslagrecht zal het hof zal in hoger beroep niet snel overgaan tot het uitvaardigen van een bevel tot herstel van de arbeidsovereenkomst en veelal volstaan met het toekennen van een billijke vergoeding.
  2. Onder het oude recht kon het hof alsnog oordelen dat een vernietigd ontslag ten onrechte was vernietigd en dat er alsnog met terugwerkende kracht op de datum van het ontslag een einde was gekomen aan het dienstverband. Onder het nieuwe ontslagrecht kan het hof een arbeidsovereenkomst die ten onrechte is blijven doorlopen slechts tegen een in de toekomst gelegen datum laten eindigen en kan indien eerder door de kantonrechter een ontbinding is uitgesproken op die ontbinding worden teruggevallen.

De rol van de (voorwaardelijke) ontbinding kent de nodige dubieuze kanten:
– indien de kantonrechter het ontslag vernietigd en daarmee de arbeidsovereenkomst laat doorlopen, heeft de ontbinding zin.
– indien de kantonrechter het ontslag in stand laat (en het ontslag het einde van het dienstverband heeft bewerkstelligd) is het vragen van ontbinding zinloos: door die uitspraak van de kantonrechter is de beëindigde arbeidsovereenkomst definitief beëindigd. Een in die situatie eventueel bevolen herstel door het hof leidt tot het ontstaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst waarop de ontbinding geen betrekking heeft doch de werkgever blijft in die situatie wel gebonden om de werknemer de vergoeding te voldoen die bij de ontbinding werd uitgesproken, indien daartegen niet tijdig met succes appel werd ingesteld.

Weet u nog wat een van de bedoelingen van de wetgever was met de invoering van de Wwz: het ontslagrecht eenvoudiger maken!?

Frank Kessels (26 maart 2016)

Vragen over het nieuwe ontslagrecht of over andere onderwerpen betrekkelijk tot het arbeidsrecht? Frank Kessels en Marjolijn van Alphen staan u graag te woord

Comments are closed.